Iedere ontwikkeling kent onzekerheden. Het is tenslotte iets nieuws wat je gaat maken. Je weet nooit zeker of iets goed zal werken, of het lang genoeg heel blijft etc. Tegenwoordig hebben we vele mogelijkheden om dingen virtueel te testen. Hoewel deze tools steeds krachtiger worden kost het natuurlijk wel tijd om zo te testen, nog los van de licentiekosten. En niet alles is zo te testen. Het alternatief is natuurlijk om een fysieke test te doen. Daarvoor moet je een functioneel model of prototype van het te onderzoeken deel maken, wat ook niet gratis is.

Hoe kies je nu de beste aanpak? Ik doe dat vooral op basis van mogelijkheden en betrokken kapitaal. Hoe kapitaalsintensiever de machine (of het te testen deel ervan) hoe meer het logisch wordt om virtueel te testen.
Een onderdeel daarvan is ook het tijdsaspect: als je de testopstelling met eigen mensen en materialen snel en goedkoop kan bouwen en aan de tand voelen is er weinig reden dat niet te doen. Als je daarentegen eerst een heel tekeningenpakket moet uitwerken, bestellen en laten maken dan ben je wellicht sneller met een simulatie.
Een ander aspect kan zijn hoe gevaarlijk de test is. Als je wilt weten of iets heel blijft wil je het waarschijnlijk niet meemaken wanneer dat niet zo is. Dan kan je maar beter die simulatie doen.
Functioneren van een systeem is vaak het makkelijkst en het betrouwbaarst in het echt te testen. Of de besturingssoftware goed gebouwd is kan je daarentegen weer steeds makkelijker virtueel testen.
Deze principes helpen mij bij het bepalen van de juiste koers. Ieder geval is echter weer uniek en zal toch met je team doorgesproken moeten worden. Laat ik dat nou juist zo’n leuk deel van mijn werk vinden!

